|
Uit de kerkenraad
Uit de kerkenraad
Van de voorzitter
Caritas
Caritas staat voor liefde, mededogen, hulp aan mensen in nood zowel materieel als immaterieel. Een christelijk aspect is dat de liefde onbaatzuchtig is en de totale mens zowel fysiek als geestelijk op het oog heeft. Nader uitgesplitst valt het fysieke nog onder te verdelen in het lichamelijke en sociaal-maatschappelijke aspect terwijl wij ons geestelijk presenteren op twee niveaus en wel het domein van de ziel (emoties, willen, denken, handelen, karakter) als het domein van de geest in engere zin (ons bewustzijn, daar waar beseffen, beschouwen en de zingeving plaatsvindt en daar waar we verbinding hebben met de Heilige Geest).
In de bijbel wordt er ook een onderscheid gemaakt tussen ziel en geest. Twee voorbeelden:
In de lofzang van Maria lezen we: “Mijn ziel maakt de Heere groot en mijn geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker”. In Thessalonicenzen lezen we bij een beschouwing over de wederkomst: ”en mogen uw geheel oprechte geest, de ziel en het lichaam bewaard worden bij de komst van onze Heere Jezus”.
In een redactioneel commentaar in mijn dagblad over kwetsbare mensen lees ik dat de kerk van oudsher een prominente plek heeft gegeven aan de caritas mede door kerkelijke vrijwilligers (b.v. voedselbank) of denk aan de Rotterdamse Pauluskerk. Zeker in onze geseculariseerde wereld met haar zingevingscrisis is er behoefte aan verbinding met mensen in nood.
In de 19e eeuw werd dit aandachtsgebied vanuit het geloof al bezien door de introductie van een functie als diacones, aanvankelijk een vrouwelijke diaken in de protestantse traditie om zorg te verlenen aan de leden van de gemeente en het ondersteunen van mensen in nood. Diaconessen wijdden hun leven aan God en waren een equivalent van de nonnen met verpleging en zorg, gemeenschapswerk, en opbouw van sociale rechtvaardigheid. In 1844 was er het eerste diaconessenhuis in Utrecht, een verpleeginrichting waar diaconessen werkzaam waren.
Ook binnen de diaconie van onze kerk krijgt de caritas ruim aandacht in die zin dat er een zorgende houding is naar de medemens en dat er in tal van projecten wordt bijgedragen aan mensen die behoeftig zijn of in nood verkeren. Denk aan het collecterooster van onze kerk en de deelname aan b.v. actie schoendoos, actie voedselbank, supermarktactie, paasgroet, samenwerkingsprojecten met andere kerken en met de gemeente Voorne aan Zee.
Wat lezen we in de Bijbel?
In Mattheüs 25 lezen we dat Jezus zegt dat wat we voor een ander doen we dat dan voor Hem gedaan hebben .
Jezus betrekt de barmhartigheid op het beërven van het Koninkrijk en zegt:
”Want Ik had honger en u hebt Mij te eten gegeven, Ik had dorst en u hebt Mij te drinken gegeven, Ik was een vreemdeling en u hebt Mij gastvrij onthaald. Ik was naakt en u hebt Mij gekleed, Ik ben ziek geweest en u hebt Mij bezocht, Ik was in de gevangenis en u bent bij Mij gekomen”.
In de kerkelijke liefdadigheid voor de kwetsbare mens gaat het om dubbele leniging: hulp voor het materieel-fysieke (dus het waarneembare) en geestelijke hulp. We doen dat vanuit eveneens dubbele kracht: de krachten van de wereld en de krachten van het Koninkrijk.
Voor de krachten van de wereld hebben we onze vrijwilligers nodig, voor de krachten van het Koninkrijk hebben we geloof nodig.
In Marcus 8 lezen we: ”Laat wie achter Mij wil komen zichzelf verloochenen, zijn kruis opnemen en Mij volgen. Want wie zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen, maar wie zijn leven zal verliezen omwille van Mij en om het Evangelie, die zal het behouden”.
Door geloof zal kwetsbaarheid dus tijdelijk blijken en zal caritas worden overgenomen door de Goddelijke Voorzienigheid.
Dat betekent ook dat geestelijke hulpverlening verbonden is met troost en
uitzicht op een onbekommerd bestaan.
Ook Jezus bestreed uiterlijke kwetsbaarheid met innerlijk Goddelijke kracht.
Daar mogen we blij om worden.
Het wordt lente en dat roept bij veel mensen een gevoel van blijheid op met het eerste zonnetje maar ook juist door die voelbare en zichtbare intrinsieke kracht van het Goddelijk bestuur als tegenhanger tegen machteloos en krachteloos zijn.
Wat leren we uit dit alles?
Dat inzet van caritas (liefdadigheid) door mens, diaconie en kerk een groot goed is, dat Jezus ons daartoe oproept, dat de liefdadigheid van God zover strekt dat Hij zij Zoon daartoe heeft geofferd alles en alleen vanuit genade om liefde voor Zijn schepping, om liefde voor ons.
Bij het beoefenen van caritas worden we er bij stilgezet dat we zelf afhankelijk zijn van caritas ten eeuwige leven.
Ik wens u allen een grondhouding van barmhartigheid toe.
Met hartelijke groet, mede namens de kerkenraad, A.P. v. E.
|